Leviticus 7: Heilige maaltijden, offerregels en priesterlijk aandeel
Leviticus 7 vervolgt de offerwetgeving met nadere regels voor schuldoffer, dankoffer en gemeenschapsoffers. Het hoofdstuk ordent wat gegeten mag worden, door wie en wanneer, en bevestigt vet en bloed als exclusief voor de HEERE.
Leviticus 7 vormt de afronding van de offerwetgeving door nadere bepalingen te geven over het schuldoffer en vooral over het dankoffer in zijn verschillende vormen. Waar eerdere hoofdstukken de rituele handelingen beschrijven, richt dit hoofdstuk zich sterker op de consequenties van het offer: wat mag worden gegeten, door wie en binnen welke tijd. Zo wordt duidelijk dat offerdienst niet alleen bestaat uit handelingen bij het altaar, maar ook uit gereguleerde omgang met het heilige daarna.
Het schuldoffer wordt opnieuw bevestigd als allerheiligst. Het dier wordt geslacht op de plaats waar ook het brandoffer wordt geslacht, en het bloed wordt rondom tegen het altaar gesprenkeld. De vetdelen worden volledig aan de HEERE gewijd. Het vlees van het schuldoffer komt toe aan de priester die het offer brengt en moet op een heilige plaats worden gegeten. Deze regeling onderstreept dat herstel van schuld niet alleen vergeving inhoudt, maar ook deelname aan een heilige orde waarin priesters als dienaren worden onderhouden.
Vervolgens wordt het dankoffer uitgebreid behandeld. Er worden drie vormen onderscheiden: het dankoffer bij lofprijzing, het offer bij een gelofte en het vrijwillige dankoffer. Elk van deze offers heeft een gemeenschappelijk karakter, maar kent specifieke regels. Bij het dankoffer van lofprijzing moet ongezuurd brood en gezuurd brood worden meegebracht. Een deel daarvan wordt als hefoffer aan de HEERE gegeven en komt toe aan de priester die het bloed sprenkelt. Hiermee wordt zichtbaar dat dank en vreugde niet losstaan van priesterlijke bemiddeling.
De maaltijd die volgt op het dankoffer is strikt gereguleerd. Het vlees van het offer moet op dezelfde dag worden gegeten; bij een gelofte of vrijwillig offer mag het ook op de volgende dag worden gegeten, maar wat op de derde dag overblijft, moet worden verbrand. Het eten op de derde dag maakt het offer ongeldig en brengt schuld met zich mee. Deze tijdsgrens benadrukt dat heilige gemeenschap niet kan worden uitgerekt of verzelfstandigd. Het offermoment en de maaltijd horen bij elkaar en mogen niet worden losgemaakt van Gods instelling.
Daarnaast worden reinheidsregels verbonden aan het eten van offermaaltijden. Wie onrein is en toch van het heilige vlees eet, moet uit het volk worden uitgeroeid. Ook vlees dat iets onreins heeft aangeraakt, mag niet worden gegeten. Deze bepalingen maken duidelijk dat gemeenschap met God en met elkaar alleen mogelijk is binnen de grenzen van heiligheid. Het dankoffer is geen gewone maaltijd, maar een heilige handeling die Gods nabijheid veronderstelt.
Het hoofdstuk herhaalt met grote nadruk het verbod op het eten van vet en bloed. Deze bepaling geldt voor alle woonplaatsen van Israël en wordt niet beperkt tot de tabernakelomgeving. Vet en bloed behoren de HEERE toe, omdat zij het leven en de kracht van het dier vertegenwoordigen. Door dit verbod wordt het onderscheid tussen God en mens bewaakt, ook in het dagelijkse leven. Zelfs wanneer vlees buiten de offers wordt gegeten, blijft dit gebod van kracht.
Aan het einde van het hoofdstuk wordt het aandeel van de priesters samengevat. De borst van het dankoffer en de rechterschouder worden hun als hefoffer en beweegoffer toegewezen. Dit is geen willekeurig privilege, maar een door God vastgesteld deel als onderhoud voor degenen die de dienst verrichten. Het priesterschap leeft van wat aan de HEERE wordt gebracht, zonder dat zij het heiligste deel, het vet en het bloed, voor zichzelf nemen.
Leviticus 7 sluit de offerwetgeving af met een overzicht van de verschillende offers: brandoffer, graanoffer, zondoffer, schuldoffer, wijdings- en dankoffer. Hiermee wordt de samenhang benadrukt. Elk offer heeft een eigen doel en plaats, maar samen vormen zij één heilige orde. De HEERE ordent niet alleen hoe schuld wordt verzoend, maar ook hoe gemeenschap wordt gevierd en onderhouden.
Het hoofdstuk laat zien dat heiligheid doorwerkt tot in eten, tijd en sociale omgang. De maaltijd wordt een plaats van gehoorzaamheid en eerbied. Door duidelijke grenzen te stellen, beschermt God de gemeenschap tegen vervaging van het heilige. Zo bevestigt Leviticus 7 dat vrede en dankbaarheid alleen duurzaam zijn wanneer zij worden geleefd binnen Gods door Hem bepaalde orde.