Leviticus 8: De wijding van Aäron en zijn zonen tot priesterschap
Leviticus 8 beschrijft de publieke wijding van Aäron en zijn zonen. Door wassen, zalving, offerdienst en bloedhandeling worden zij afgezonderd tot heilige priesters, aangesteld volgens Gods bevel in aanwezigheid van de gemeenschap.
Leviticus 8 verhaalt de daadwerkelijke uitvoering van de priesterwijding die eerder door de HEERE was voorgeschreven. Het hoofdstuk is narratief van aard, maar blijft doortrokken van cultische precisie. Wat God had bevolen, wordt nu exact uitgevoerd, waarmee zichtbaar wordt dat het priesterschap niet door menselijke keuze ontstaat, maar door goddelijke aanstelling. De hele gemeenschap wordt bijeengeroepen, zodat de wijding publiek en controleerbaar plaatsvindt.
De wijding begint met het wassen van Aäron en zijn zonen met water. Deze handeling markeert de overgang van het gewone naar het heilige. Reinheid is een voorwaarde voor dienst in Gods nabijheid. Het wassen is geen symbolische suggestie, maar een noodzakelijke cultische voorbereiding die de priesters geschikt maakt voor hun taak. Daarna worden de priesterlijke kledingstukken aangedaan, elk met een specifieke functie en betekenis binnen de heilige dienst.
Aäron ontvangt het onderkleed, de gordel, het bovenkleed, de efod en het borstschild met de urim en tummim. De tulband en de gouden plaat met het opschrift “Heilig voor de HEERE” bekronen zijn aanstelling. Vervolgens wordt de zalfolie gebruikt om de tabernakel, het altaar en alle bijbehorende voorwerpen te zalven. Hiermee wordt de gehele cultische ruimte geheiligd voordat de priesters zelf worden gezalfd. De zalving van Aäron onderscheidt hem als hogepriester en verbindt hem aan de heilige ruimte waarin hij zal dienen.
Daarna volgen de offers die bij de wijding horen. Eerst wordt het zondoffer gebracht, waarbij Aäron en zijn zonen hun handen op de kop van het dier leggen. Dit benadrukt dat ook priesters niet buiten de noodzaak van verzoening staan. Hun dienst begint met erkenning van schuld en afhankelijkheid van Gods genade. Vervolgens wordt het brandoffer gebracht als teken van volledige toewijding aan de HEERE.
Het hoogtepunt van de wijding is het wijdingsoffer. Het bloed van dit offer wordt aangebracht aan de rechteroorlel, rechterduim en rechtergrote teen van Aäron en zijn zonen. Deze handeling markeert het hele lichaam als toegewijd aan Gods dienst: horen, handelen en wandelen staan voortaan onder Zijn gezag. Het bloed verbindt hun persoon rechtstreeks met het altaar en met Gods heilige orde.
Delen van het offer, samen met ongezuurd brood, worden in de handen van Aäron en zijn zonen gelegd en als beweegoffer voor de HEERE bewogen. Daarna worden zij op het altaar verbrand. Wat overblijft, wordt door Mozes genomen en verbrand. Deze handelingen onderstrepen dat de priesters hun bediening ontvangen, maar deze niet bezitten. Alles blijft eigendom van de HEERE.
Het hoofdstuk sluit met de opdracht dat Aäron en zijn zonen zeven dagen bij de ingang van de tent van ontmoeting moeten blijven. Gedurende deze periode mogen zij de plaats niet verlaten, omdat hun wijding onafgebroken voltooid moet worden. De herhaling van de rituelen gedurende zeven dagen benadrukt volledigheid en bevestigt dat priesterlijke aanstelling geen momentopname is, maar een door God vastgestelde overgang.
Leviticus 8 laat zo zien dat het priesterschap geworteld is in gehoorzaamheid, reiniging, offer en zalving. De priesters worden niet verheven boven het volk door eigen verdienste, maar worden afgezonderd door Gods bevel. Hun dienst is volledig afhankelijk van Zijn heiligheid en genade. Daarmee wordt het fundament gelegd voor de verdere priesterlijke bediening in Israël.