Mattheüs 28 – Opstanding en zendingsopdracht
Tekst uit de NBG (1951).
1
Laat na de sabbat, tegen het aanbreken van de eerste dag derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. week, ging Maria van Magdala en de andere Maria het graf bezien.
2
En zie, er kwam een grote aardbeving, wantOmdat; geeft een reden aan. een engel desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. Heren daalde uit de hemel neder en kwam nader, en hij wentelde de steen weg en zette zich daarop.
3
Zijn uiterlijk was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw.
4
En de bewakers werden door vreesAngst of diep ontzag. voor hem bevangen en zij werden als doden.
5
DochMaar; echter. de engel antwoordde en zeide tot de vrouwen: Weest gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. niet bevreesdBang; vol angst.; wantOmdat; geeft een reden aan. ik weet, dat gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. Jezus zoekt, de gekruisigde.
6
Hij is hier niet, wantOmdat; geeft een reden aan. Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar Hij gelegen heeft.
7
En gaat terstondMeteen. op weg en zegt zijn discipelen, dat Hij is opgewekt uit de doden. En zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd.
8
En zij gingen terstondMeteen. weg van het graf, met vreesAngst of diep ontzag. en grote blijdschap, en liepen haastigSnel. voort om het zijn discipelen te berichten.
9
En zie, Jezus kwam haar tegemoet en zeide: Weest gegroet. Zij naderden Hem en grepen zijn voeten en zij aanbaden Hem.
10
Toen zeide Jezus tot haar: Weest niet bevreesdBang; vol angst.. Gaat heen en bericht mijn broeders, dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij Mij zien.
11
Toen zij onderweg waren, zie, enigen van de wacht kwamen in de stad om de overpriesters al het gebeurde te berichten.
12
En in een vergadering met de oudsten kwamen zij tot een besluit en zij gaven de soldaten veel geld,
13
en zij zeiden: Zegt, zijn discipelen zijn desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. nachts gekomen en hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen.
14
En indien dit de stadhouder ter ore komt, wij zullen het in orde brengen en maken, dat gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. buiten moeite blijft.
15
En zij namen het geld aan en deden zoals hun gezegd was.En dit gerucht is onder de Joden verbreid tot de dag van heden toe.
16
En de elf discipelen vertrokken naar Galilea, naar de berg, waar Jezus hen bescheiden had.
17
En toen zij Hem zagen, aanbaden zij, maar sommigen twijfelden.
18
En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde.
19
Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. Vaders en desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. Zoons en desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. HeiligenMensen die bij God horen; zijn volk. Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.
20
En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. wereld.