Lees hoofdstuk · Leviticus 22: Heilige gaven en onberispelijke offers voor de HEERE · Leer de Bijbel
Inleiding
Lezen
Uitleg
Quiz
Afronden

Leviticus 22: Heilige gaven en onberispelijke offers voor de HEERE

Tekst uit de NBG (1951).

1
De Here sprak tot Mozes:
2
Spreek tot Aäron en zijn zonen, dat zij, om mijn heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. naam niet te ontheiligen, zich in acht nemen ten aanzien van de heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. gaven die de Israëlieten Mij heiligenMensen die bij God horen; zijn volk.: Ik ben de Here.
3
Zeg tot hen: Ieder in uwVan jou/u (bezittelijk). geslachten, die uit al uwVan jou/u (bezittelijk). nakomelingen nadert tot de heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. gaven die de Israëlieten de Here heiligenMensen die bij God horen; zijn volk., terwijl zijn onreinheidMorele of geestelijke onzuiverheid. nog aan hem is, die zal van voor mijn aangezicht uitgeroeid worden: Ik ben de Here.
4
Geen van Aärons nakomelingen, die melaats is of een vloeiing heeft, zal eten van de heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. gaven, totdat hij gereinigd is; evenmin hij die iets aanraakt, dat onreinNiet zuiver volgens Gods wil. gewordenGebeurd; ontstaan. is door een dode, of iemand die een zaaduitstorting heeft,
5
of iemand die enig kruipend gedierte aanraakt, waardoor hij onreinNiet zuiver volgens Gods wil. wordt, of een mens, door wie hij onreinNiet zuiver volgens Gods wil. wordt, doordat deze een of andere onreinheidMorele of geestelijke onzuiverheid. aan zich heeft;
6
hij, die zoiets aanraakt, blijft onreinNiet zuiver volgens Gods wil. tot de avond en zal niet eten van de heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. gaven, tenzij hij zijn lichaam in water gebaad heeft.
7
En als de zon ondergegaan is, zal hij rein zijn en daarna zal hij van de heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. gaven eten, wantOmdat; geeft een reden aan. het is zijn spijs.
8
Een gestorven of verscheurd dier zal hij niet eten en zich daardoor niet verontreinigen: Ik ben de Here.
9
En zij zullen mijn voorschrift in acht nemen, opdatZodat; met het doel dat. zij deswegeDaarom; om die reden. geen zonde op zich laden en daardoor sterven, omdat zij dat ontheiligd hebben: Ik ben de Here, die hen heilig.
10
En geen onbevoegde zal iets heiligs eten, geen inwonende bij de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. of daglonerIemand die per dag werk kreeg. zal iets heiligs eten.
11
Maar wanneer de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. iemand als eigendom koopt met zijn geld, mag deze daarvan eten, ook zij, die in zijn huis geboren werden, mogen van zijn spijs eten.
12
En wanneer een priesterdochter met iemand, die geen priesterIemand die namens het volk tot God nadert. is, getrouwd is, dan zal zij van de heffing derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. gaven niet eten.
13
Wanneer echter een priesterdochter weduwe wordt of verstoten wordt en geen kinderen heeft en teruggekeerd is naar haars vaders huis, zoals in haar jeugd, dan mag zij van de spijs haars vaders eten; maar geen onbevoegde zal daarvan eten.
14
Wanneer nu iemand zonder opzet iets heiligs gegeten heeft, dan zal hij het heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. vergoeden en een vijfde deel erbij voegen.
15
En zij zullen de heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. gaven die de Israëlieten voor de Here heffen, niet ontheiligen,
16
wantOmdat; geeft een reden aan. zij zouden hen alzoZo; op deze manier. zondeschuld doen dragen, wanneer zij hun heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. gaven zouden eten: wantOmdat; geeft een reden aan. Ik ben de Here, die hen heilig.
17
En de Here sprak tot Mozes:
18
Spreek tot Aäron en zijn zonen en tot al de Israëlieten en zeg tot hen: Ieder van het huis Israëls en van de vreemdelingen in Israël, die zijn offergaveGift voor God. brengt, overeenkomstig al de PlechtigHeel officieel en ernstig. uitgesproken beloften aan God.">geloftenPlechtigHeel officieel en ernstig. uitgesproken beloften aan God. en vrijwillige offers, die zij de Here als brandofferOffer dat helemaal verbrand wordt om God te eren. willen offeren:
19
het moet, zo gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. welgevallig wilt zijn, gaaf wezen, van het mannelijke geslacht van het rundvee, van de schapen en van de geiten.
20
Niets dat enig gebrek heeft, zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. offeren; wantOmdat; geeft een reden aan. het zou u geen welgevallen doen vinden.
21
Ook wanneer iemand de Here een vredeoffer brengt, om een gelofte te vervullenVol maken; iets werkelijkheid laten worden. of als een vrijwillig offer van runderen of van kleinvee, dan zal het gaaf wezen, opdatZodat; met het doel dat. het welgevallig zij: geen enkel gebrek zal het hebben.
22
Wat blind is of gebroken of een wond, buil, uitslag of huidziekte heeft, dat zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. de Here niet offeren en daarvan zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. de Here geen vuuroffer op het altaar geven.
23
Maar een rund of schaap met te lange of te korte leden, dat moogt gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. als vrijwillig offer toebereidenVoorbereiden., maar als gelofte zal het niet welgevallig zijn.
24
Wat echter door kneuzen, stoten, uitrukken of snijden verminkt is, zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. de Here niet offeren; dat zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. in uwVan jou/u (bezittelijk). land niet doen.
25
Ook uit de hand van een vreemdeling zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. niets van dat alles uwVan jou/u (bezittelijk). God als spijzeVoedsel. offeren, wantOmdat; geeft een reden aan. zij zijn geschonden, er is een gebrek aan; het zal u niet welgevallig doen zijn.
26
En de Here sprak tot Mozes:
27
Wanneer een rund of schaap of geit geboren wordt, dan zal dat zeven dagen bij zijn moeder blijven, maar van de achtste dag af en daarna zal het als een gave de Here ten vuuroffer welgevallig zijn.
28
Een rund of een stuk kleinvee zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. niet tegelijk met zijn jong op één dag slachten.
29
En wanneer gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. de Here een lofoffer slacht, zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. het zo slachten, dat gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. welgevallen vindt.
30
Op dezelfde dag zal het gegeten worden; niets moogt gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. daarvan overlaten tot de morgen: Ik ben de Here.
31
Neemt dan mijn geboden nauwgezet in acht: Ik ben de Here.
32
En ontheiligt mijn heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. naam niet, zodatMet als gevolg dat; daardoor. Ik geheiligdAfgezonderd en rein gemaakt voor God. worde in het midden derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. Israëlieten: Ik ben de Here, die u heilig,
33
die u uit het land Egypte deed trekken, opdatZodat; met het doel dat. Ik u tot een God zou zijn: Ik ben de Here.