Lees hoofdstuk · Leviticus 6: Schuldbelijdenis, herstel en priesterlijke instructies · Leer de Bijbel
Inleiding
Lezen
Uitleg
Quiz
Afronden

Leviticus 6: Schuldbelijdenis, herstel en priesterlijke instructies

Tekst uit de NBG (1951).

1
De Here sprak tot Mozes:
2
Wanneer iemand zonde doet en ontrouwJe houdt je niet aan je beloften; je laat iemand in de steek. wordt jegens de Here, en tegenover zijn volksgenoot ontkent, dat hij iets in bewaring heeft, of dat hem iets is ter hand gesteld, of dat hij iets weggeroofd heeft;
3
of hij heeft zijn volksgenoot iets afgeperst, of hij heeft iets dat verloren was, gevonden en hij ontkent het, en doet een valse eed ten opzichte van enige zaak die een mens doen kan, zodatMet als gevolg dat; daardoor. hij zich daaraan bezondigt,
4
wanneer hij zo zonde doet en schuldig wordt, dan zal hij teruggeven het geroofde dat hij wegroofde, of het afgeperste dat hij afperste, of het in bewaring gegevene dat hem in bewaring gegeven was, of het verlorene dat hij gevonden had,
5
of alles, ten opzichte waarvan hij een valse eed zwoer. Hij zal de volle waarde ervan vergoeden en nog een vijfde daaraan toevoegen; aan degene wie het behoorde, die zal hij het geven, op de dag wanneer hij zijn schuldoffer brengt.
6
Als zijn schuldoffer zal hij voor de Here brengen een gave ram uit het kleinvee, in waarde geschat, ten schuldoffer tot de priesterIemand die namens het volk tot God nadert..
7
En de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. zal over hem verzoening doen voor het aangezicht desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. Heren, en hem zal vergeving geschonken worden, ten aanzien van elke zaak waardoor hij schuld op zich laadt.
8
De Here sprak tot Mozes:
9
Gebied Aäron en zijn zonen het volgende: Dit is de wet op het brandofferOffer dat helemaal verbrand wordt om God te eren.. Het brandofferOffer dat helemaal verbrand wordt om God te eren. zal op de vuurhaard op het altaar de ganseGehele; volledige. nacht tot de morgen blijven liggen, en het vuur van het altaar zal daarop blijven branden.
10
En de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. zal zijn linnen kleed aandoen en een linnen broek over zijn lichaam aantrekken; dan zal hij de as wegnemen, waartoe het vuur het brandofferOffer dat helemaal verbrand wordt om God te eren. op het altaar verteerd heeft, en hij zal die naast het altaar storten.
11
Daarna zal hij zijn klederen uitdoen en andere klederen aantrekken, en de as zal hij brengen buiten de legerplaats, op een reine plaats.
12
En het vuur op het altaar zal brandende gehouden worden, het mag niet uitgaan. Daarop zal de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. elke morgen hout aansteken, het brandofferOffer dat helemaal verbrand wordt om God te eren. erop schikken en daarop de vetstukken van het vredeoffer in rook doen opgaan.
13
Een vuur zal voortdurend brandende gehouden worden op het altaar, het mag niet uitgaan.
14
Dit is de wet op het spijsofferGraanoffer.. De zonen van Aäron zullen het voor het aangezicht desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. Heren voor het altaar brengen.
15
En een zal daarvan een handvol nemen, van het fijn meel van het spijsofferGraanoffer. en van de olie daarvan, en al de wierookGeurend spul dat werd gebrand tijdens aanbidding. die op het spijsofferGraanoffer. ligt, en zo zal hij dit op het altaar in rook doen opgaan, tot een liefelijke reuk ten gedenkoffer daarvan voor de Here.
16
Wat daarvan overblijft, zullen Aäron en zijn zonen eten: als ongezuurde koeken zal het gegeten worden op een heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. plaats; in de voorhof van de tent derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. samenkomst zullen zij het eten.
17
Het zal ongezuurd gebakken worden; als hun aandeel aan mijn vuuroffers heb Ik het gegeven; het is allerheiligst, evenals het zondoffer en het schuldoffer.
18
Allen die van het mannelijk geslacht zijn onder de nakomelingen van Aäron, zullen het eten; dit zij een altoosdurende inzettingGebod of regel van God. voor uwVan jou/u (bezittelijk). geslachten ten aanzien van de vuuroffers desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. Heren; al wie het aanraakt, zal heilig worden.
19
De Here sprak tot Mozes:
20
Dit is de offergaveGift voor God., die Aäron en zijn zonen de Here zullen brengen op de dag, dat hij gezalfd wordt: een tiende efa fijn meel als een dagelijks spijsofferGraanoffer., de helft desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. morgens en de helft desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. avonds.
21
Het zal op een bakplaat in olie bereid worden, gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. zult het doorgeroerd brengen, als een spijsofferGraanoffer., aan brokken zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. het offeren, tot een liefelijke reuk voor de Here.
22
En de priesterIemand die namens het volk tot God nadert., die uit zijn zonen in zijn plaats de MessiasGezalfde; titel voor Jezus..">gezalfdeIemand die door God gekozen is; MessiasGezalfde; titel voor Jezus.. zal zijn, zal dit doen; het is een altoosdurende inzettingGebod of regel van God., het zal geheel voor de Here verbrand worden.
23
Elk spijsofferGraanoffer. van een priesterIemand die namens het volk tot God nadert. zal geheel verbrand worden, het zal niet worden gegeten.
24
De Here sprak tot Mozes:
25
Spreek tot Aäron en zijn zonen: Dit is de wet op het zondoffer: ter plaatse waar het brandofferOffer dat helemaal verbrand wordt om God te eren. geslacht wordt, zal ook het zondoffer geslacht worden voor het aangezicht desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. Heren, het is allerheiligst.
26
De priesterIemand die namens het volk tot God nadert. die het als zondoffer offert, zal het eten; op een heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. plaats zal het gegeten worden, in de voorhof van de tent derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. samenkomst.
27
Al wat met het vlees daarvan in aanraking komt, zal heilig zijn, en als iets van het bloed ervan op een kledingstuk spat, zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. hetgeen waarop het spatte, op een heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. plaats wassen.
28
En het aarden vat waarin het gekookt is, zal stukgeslagen worden, en indien het in een koperen vat gekookt is, dan zal dit geschuurd en met water gespoeld worden.
29
Allen die van het mannelijk geslacht zijn onder de priesters, zullen het eten, het is allerheiligst.
30
Maar geen zondoffer, van welks bloed in de tent derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. samenkomst gebracht werd om in het HeiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. plaats die speciaal aan God is gewijd.">heiligdomHeiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. plaats die speciaal aan God is gewijd. verzoening te doen, zal gegeten worden; met vuur zal het verbrand worden.