Leviticus 6: Schuldbelijdenis, herstel en priesterlijke instructies
Leviticus 6 vervolgt de schuldofferwetgeving met nadruk op ontrouw, herstel en priesterlijke taken. Het hoofdstuk verbindt belijdenis en vergoeding aan duidelijke instructies voor brandoffer, graanoffer en zondoffer binnen de heilige dienst.
Leviticus 6 opent met gevallen van ontrouw tegenover de HEERE die zich uiten in concrete daden tegen de naaste. Het gaat om situaties van bedrog, verduistering, afpersing of het achterhouden van gevonden eigendom. Deze overtredingen worden niet slechts als sociale misstanden gezien, maar als zonde tegen God. Daarmee wordt duidelijk dat ethisch handelen binnen Israël altijd theologisch is ingebed: wie de naaste benadeelt, schendt de heilige orde van het verbond.
De tekst benadrukt dat schuld hier niet kan worden hersteld zonder belijdenis en vergoeding. De overtreder moet zijn zonde belijden, het onrechtmatig verkregene volledig teruggeven en daar een vijfde deel aan toevoegen. Dit herstel gaat vooraf aan het brengen van het schuldoffer. Zo wordt voorkomen dat het offer een vervanging wordt voor rechtvaardig handelen. God aanvaardt geen ritueel dat losstaat van concrete rechtzetting. Het schuldoffer volgt pas wanneer de verbroken relatie in materiële zin is hersteld.
Het schuldoffer zelf bestaat uit een ram zonder gebrek, gebracht naar de HEERE. De priester verricht de offerhandeling en doet verzoening, waarna vergeving volgt. De volgorde is theologisch betekenisvol: belijdenis, herstel en offer vormen samen één geheel. Schuld raakt zowel God als mens, en herstel moet beide dimensies omvatten. De heilige orde verdraagt geen scheiding tussen cultus en ethiek.
Vanaf vers 8 verschuift de focus naar priesterlijke instructies voor verschillende offers. Het brandoffer wordt genoemd als offer dat de hele nacht op het altaar moet blijven, met vuur dat voortdurend brandend wordt gehouden. Dit voortdurende vuur benadrukt de permanente beschikbaarheid van de offerdienst en de waakzame taak van de priesters. As wordt zorgvuldig verwijderd en op een reine plaats buiten het kamp gelegd, zodat ook het restant van het offer binnen een heilige orde blijft.
Het graanoffer krijgt eveneens specifieke instructies. Het wordt voor het aangezicht van de HEERE gegeten door de priesters op een heilige plaats. Alles wat het offer aanraakt, wordt heilig genoemd. Deze bepaling onderstreept de doordringende werking van heiligheid binnen de tabernakel. Heiligheid is niet beperkt tot het altaar, maar raakt personen, plaatsen en handelingen.
Ook het zondoffer wordt nader gereguleerd. Het moet worden geslacht op de plaats waar het brandoffer wordt geslacht, en het bloed wordt gebruikt volgens vastgestelde regels. Het vlees van bepaalde zondoffers wordt door de priesters gegeten op een heilige plaats, tenzij het bloed in het heiligdom is gebracht. Deze onderscheidingen bewaken de grens tussen reinheid en onreinheid en voorkomen willekeur in de heilige dienst.
Leviticus 6 laat zo zien dat de offercultus niet alleen bestaat uit voorschriften voor het volk, maar ook uit strikte instructies voor het priesterschap. De priesters dragen verantwoordelijkheid voor het zorgvuldig onderhouden van Gods inzettingen. Hun dienst is geen persoonlijke interpretatie, maar gehoorzaamheid aan gedetailleerde richtlijnen die Gods heiligheid zichtbaar houden.
Het hoofdstuk verbindt schuldherstel en priesterlijke orde tot één geheel. God vraagt rechtvaardigheid in menselijke relaties en nauwkeurigheid in de eredienst. De combinatie maakt duidelijk dat heiligheid zowel sociaal als cultisch is. Wie tot God nadert, moet zich onderwerpen aan Zijn ordening in alle levenssferen.
Door deze bepalingen wordt het leven van Israël beschermd tegen oppervlakkige religiositeit. Offers kunnen niet los functioneren van herstel, en priesterdienst kan niet losstaan van gehoorzaamheid. Leviticus 6 tekent een God die Zijn heiligheid bewaart door waarheid, recht en ordelijke eredienst samen te brengen binnen het verbond.