Numeri 25: Verbondsbreuk, oordeel en ijver voor Gods heiligheid
Tekst uit de NBG (1951).
1
Terwijl Israël in Sittim verbleef, begon het volk ontuchtSeksuele zonde. te plegen met de dochters van Moab.
2
Dezen nodigden het volk tot de slachtoffers van haar goden en het volk at daarvan en boog zich neer voor haar goden.
3
Toen Israël zich aan Baäl-Peor gekoppeld had, ontbrandde de heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. boosheidKwaadaardige houding; zonde..">boosheidKwaadaardige houding; zonde. over zonde en onrecht.">toornGods heilige boosheidKwaadaardige houding; zonde. over zonde en onrecht. desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. HerenGods heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. boosheidKwaadaardige houding; zonde.. tegen Israël
4
en de Here zeide tot Mozes: Neem al de oversten van het volk en hang hen in het openbaar op voor de Here, opdatZodat; met het doel dat. de brandende heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. boosheidKwaadaardige houding; zonde..">boosheidKwaadaardige houding; zonde. over zonde en onrecht.">toornGods heilige boosheidKwaadaardige houding; zonde. over zonde en onrecht. desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. HerenGods heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. boosheidKwaadaardige houding; zonde.. zich van Israël afwende.
5
Toen zeide Mozes tot de richters van Israël: Ieder dode diegenen onder zijn mannen, die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben.
6
En zie, een derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. Israëlieten kwam een Midjanitische bij zijn broeders brengen ten aanschouwenMet aandacht zien; diep waarnemen. van Mozes en van de gehele vergadering derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. Israëlieten, terwijl dezen weenden aan de ingang van de tent derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. samenkomst.
7
Toen Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. Aäron, dat zag, stond hij midden uit de vergadering op en nam een speer in zijn hand;
8
toen hij de Israëlitische man tot in het vertrek achterhaald had, doorstak hij hen beiden, zowel de Israëlitische man, als de vrouw, in het onderlijf. Toen hield de plaag over de Israëlieten op.
9
Het getal van hen die aan de plaag gestorven waren, bedroeg vierentwintigduizend.
10
De Here nu zeide tot Mozes:
11
Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. Aäron, heeft mijn boosheidKwaadaardige houding; zonde. over zonde en onrecht.">toornGods heilige boosheidKwaadaardige houding; zonde. over zonde en onrecht. van de Israëlieten afgewend, doordat hij met een ijverVurig enthousiasme voor God. voor Mij in hun midden heeft geijverd, zodatMet als gevolg dat; daardoor. Ik de Israëlieten in mijn ijverVurig enthousiasme voor God. niet heb verdelgd.
12
Zeg daarom: Zie, Ik geef hem mijn verbond desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. vredes,
13
opdatZodat; met het doel dat. het voor hem en zijn nakomelingen tot een verbond van een altoosdurendVoortdurend; onafgebroken. priesterschap zij, omdat hij voor zijn God geijverd en over de Israëlieten verzoening gedaan heeft.
14
De Israëliet die tegelijk met de Midjanitische gedood werd, heette Zimri en was de zoon van Salu, een familievorst derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. Simeonieten,
15
en de Midjanitische vrouw die gedood was, heette Kozbi en was de dochter van Sur; hij was een familiestamhoofd in Midjan.
16
De Here nu sprak tot Mozes:
17
Behandelt de Midjanieten als vijanden en doodt hen,
18
wantOmdat; geeft een reden aan. zij hebben u vijandig behandeld met de listen die zij tegen u bedacht hebben ten aanzien van Peor en ten aanzien van Kozbi, de dochter van de Midjanitische vorst, hun zuster, die gedood is ten dage van de plaag ter oorzake van Peor.