Leviticus 7: Heilige maaltijden, offerregels en priesterlijk aandeel
Tekst uit de NBG (1951).
1
Dit is de wet op het schuldoffer: het is allerheiligst.
2
Ter plaatse waar men het brandofferOffer dat helemaal verbrand wordt om God te eren. slacht, zal men het schuldoffer slachten; en het bloed daarvan zal men rondom op het altaar sprengen.
3
Al het vet daarvan zal men offeren, de vetstaart en het vet dat de ingewandenBinnenste; beeld voor diepe gevoelens. bedekt.
4
Ook de beide nieren en het vet dat daaraan zit, dat aan de lenden is, en het aanhangsel aan de lever, dat hij met de nieren moet wegnemen.
5
De priesterIemand die namens het volk tot God nadert. zal dit op het altaar in rook doen opgaan als een vuuroffer voor de Here; het is een schuldoffer.
6
Allen die van het mannelijk geslacht zijn onder de priesters, zullen het eten; op een heiligeIemand of iets dat bij God hoort en voor Hem is afgezonderd. plaats zal het gegeten worden; het is allerheiligst.
7
Wat voor het schuldoffer geldt, geldt ook voor het zondoffer; een zelfde wet geldt daarvoor: het zal zijn voor de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. die daardoor verzoening doet.
8
En de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. die iemands brandofferOffer dat helemaal verbrand wordt om God te eren. brengt – de huid van het brandofferOffer dat helemaal verbrand wordt om God te eren. dat hij brengt, zal voor die priesterIemand die namens het volk tot God nadert. zijn.
9
Elk spijsofferGraanoffer. dat gebakken wordt in de oven, en al wat bereid is in de pan en op de bakplaat, is voor de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. die het brengt, voor hem zal het zijn.
10
Elk spijsofferGraanoffer. dat met olie aangemaakt of droog is, zal voor alle zonen van Aäron zijn, voor de een zowel als voor de ander.
11
Dit is de wet op het vredeoffer, dat men de Here brengen zal.
12
Indien men het zal brengen als een lofoffer, dan zal men met het lofoffer ongezuurde koeken brengen, met olie aangemaakt, en ongezuurde dunne koeken, met olie bestreken, en doorgeroerd fijn meel, koeken met olie aangemaakt.
13
Met koeken van gezuurd brood zal hij zijn offergaveGift voor God. brengen, nevens zijn vredeoffer als lofoffer.
14
En van elke offergaveGift voor God. zal hij er een brengen als heffing aan de Here; voor de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. die het bloed van het vredeoffer sprengt, zal die zijn.
15
En het vlees van zijn vredeoffer als lofoffer zal op de dag van zijn offergaveGift voor God. gegeten worden; niets daarvan zal hij tot de morgen over laten.
16
Indien het slachtoffer dat hij als offergaveGift voor God. brengt, een gelofteoffer of een vrijwillig offer is, dan zal het op de dag waarop hij zijn slachtoffer brengt, gegeten worden, en op de volgende dag zal ook hetgeen daarvan overbleef, gegeten worden.
17
Maar wat dan nog van het vlees van het slachtoffer overblijft, zal op de derde dag met vuur worden verbrand.
18
Indien toch op de derde dag gegeten wordt van het vlees van zijn vredeoffer, dan zal hij die dat gebracht heeft, niet welgevallig zijn; het zal hem niet ten goede gerekend worden, het zal iets verfoeilijks zijn, en wie daarvan eet, zal zijn ongerechtigheidZonde; onrecht dat tegen God ingaat. dragen.
19
En vlees dat met iets onreins in aanraking komt, zal niet gegeten worden, het zal met vuur verbrand worden; wat overigens het vlees betreft, ieder die rein is, mag vlees eten.
20
Maar iemand die, terwijl onreinheidMorele of geestelijke onzuiverheid. hem aankleeft, vlees eet van het vredeoffer dat de Here toebehoort, die zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.
21
En wanneer iemand iets onreins aanraakt, onreinheidMorele of geestelijke onzuiverheid. van mensen of onreineIemand of iets dat niet zuiver is. dieren of enig onreinNiet zuiver volgens Gods wil. kruipend gedierte, en eet van het vlees van het vredeoffer dat de Here toebehoort, dan zal hij uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.
22
De Here sprak tot Mozes:
23
Spreek tot de Israëlieten: GijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. zult in het geheel geen vet van rund, schaap of geit eten.
24
Het vet van een gestorven of verscheurd dier mag voor allerlei doeleinden gebruikt worden, maar eten zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. het in geen geval.
25
WantOmdat; geeft een reden aan. ieder die vet eet van het vee, waarvan men een vuuroffer voor de Here brengt, – wie dat eet, zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.
26
Ook zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. in al uwVan jou/u (bezittelijk). woonplaatsen in het geheel geen bloed eten, van gevogelte noch van vee.
27
Alwie enig bloed eet, die zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.
28
De Here sprak tot Mozes:
29
Spreek tot de Israëlieten: Hij die de Here zijn vredeoffer offert, moet de Here een deel van zijn vredeoffer als offergaveGift voor God. brengen.
30
Eigenhandig zal hij de vuuroffers desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. Heren brengen; het vet met de borst zal hij brengen, de borst, om die als beweegoffer te bewegen voor het aangezicht desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. Heren.
31
En de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. zal het vet in rook doen opgaan op het altaar, maar de borst zal voor Aäron en zijn zonen zijn.
32
De rechterschenkel zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. als een heffing van uwVan jou/u (bezittelijk). vredeoffers aan de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. geven.
33
Diegene van de zonen van Aäron, die het bloed van het vredeoffer en het vet offert, hem zal de rechterschenkel ten deel vallen.
34
WantOmdat; geeft een reden aan. de beweegborst en de hefschenkel neem Ik van de Israëlieten van hun vredeoffers en geef die aan de priesterIemand die namens het volk tot God nadert. Aäron, en aan zijn zonen, als een altoosdurende inzettingGebod of regel van God. voor de Israëlieten.
35
Dit is het gewijde deel van Aäron en zijn zonen in de vuuroffers desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. Heren, ten dage dat Hij hen deed naderen om als priesterIemand die namens het volk tot God nadert. de Here te dienen,
36
hetgeen de Here gebood hun te geven, ten dage dat Hij hen zalfde uit de Israëlieten, als een altoosdurende inzettingGebod of regel van God. voor hun geslachten.
37
Dit is de wet op het brandofferOffer dat helemaal verbrand wordt om God te eren., het spijsofferGraanoffer., het zondoffer, het schuldoffer, het wijdingsoffer en het vredeoffer,
38
die de Here Mozes gebood op de berg Sinai, ten dage dat Hij de Israëlieten gebood hun offers de Here te brengen, in de woestijn Sinai.